Otto Kroesen: De evangeliën in context
Hoeveel historische context heb je nodig om de evangeliën goed te begrijpen?
Het zijn toch binnenkerkelijke documenten? Ze hebben de vroege kerk ondersteund in het vertellen van het verhaal en in de liturgie. Toch was er in het begin nog nauwelijks een kerk. De evangeliën zijn dus eerder geschreven om mensen te overtuigen tot de kerk toe te treden. Ze richten zich minstens evenzeer op mensen buiten.
Naar buiten gericht
Die visie heeft grote gevolgen. Je gaat beter begrijpen waarom ze elkaar hebben moeten herschrijven, telkens met het oog op een nieuwe doelgroep. De vorige spreker klinkt nog mee in de nieuwe versie. Aangezien dat ook impliceert dat ze elkaar gekend hebben wordt het verhaal over hun ontstaansgeschiedenis ook anders. Anders in ieder geval dan het heersende standaard verhaal. Want je gaat meer kijken en vragen op welke actuele nood nu een antwoord nodig was. Het is als een vierstemmige fuga. De stemmen moduleren en variëren elkaar.
Dat is de manier waarop Geurt Henk van Kooten er ook naar kijkt in zijn boek “Echo’s van het goede nieuws”.1 Van de nieuwtestamentici die ik ken gaat hij daarin het verst. Er is wel een interpreet die nog verder gaat, te weten Rosenstock-Huessy in zijn tekst “De Vrucht der Lippen”.2 Daarin stelt hij dat de vier evangeliën een antwoord zijn op de vier cultuurstromen in de oudheid, de hiërarchische rijkscultuur, de gesloten stamcultuur, het profetische Israël en de Griekse intellectuele cultuur.
Van Kooten sluit daar goed op aan, zonder dat overigens zelf te weten want hij kent Rosenstock-Huessy niet, noemt hem althans nergens, terwijl hij wel zeer brede belangstelling toont voor de Grieks-Romeinse cultuur en daar uitvoerig op ingaat, zelfs op de cultuur van de Parthen. Want het waren de Parthen in het oosten waar de magiërs vandaan kwamen die de ster volgden tot aan Bethlehem. De Parthen waren rond 40 voor Christus nog met hun paarden Palestina binnen gevallen. Ze waren daar met de nodige moeite door de Romeinen verjaagd en na enige tijd is er een vredesverdrag gesloten, zodat over en weer vrij reizen mogelijk was. Maar de Parthen bleven een dreiging vanuit het oosten in het Romeinse Rijk.
Marcus en Johannes het meest oorspronkelijk
Marcus heeft veel kenmerken van een Romeinse schrijver (latinismen, slordige Aramese uitdrukkingen), zodat hij volgens Van Kooten een Romein geweest moet zijn. Belangrijk is de scheiding die Jezus in Marcus aanbrengt tussen de Romeinse keizer en het koninkrijk van Christus met betrekking tot de afdracht van de belastingen “Geef de keizer wat des keizers is een geef aan God wat van God is” (Marcus 12: 17). De Romein Marcus – zo Van Kooten – maakt op die manier aan de Romeinse overheersers in Palestina duidelijk dat de christenen niet geïdentificeerd moeten worden met revolutionaire strijders in Jeruzalem. Marcus zou geschreven zijn rond 68 na Christus en wel in Caesarea. Caesarea, gelegen aan de zee, was de uitvalsbasis voor de Romeinse legers bij de belegering van Jeruzalem. Drie legioenen waren daar permanent gestationeerd. Veel mensen en ook de kerkelijke traditie wijzen erop dat in Marcus de stem van Petrus doorklinkt vanwege veel levendige details. Van Kooten stelt enigszins speculatief dat deze Romeinse soldaat de secretaris van Petrus in Rome geweest moet zijn.
Johannes moet nog eerder geschreven zijn, zo rond 64 voor Christus, omdat de zuilengangen bij het badhuis Bethesda toen nog intact waren (Johannes 5:2). Johannes spreekt daarover in het heden. Johannes moet de Griekse cultuur goed gekend hebben, toneelstukken van Euripides, werken van Plato. Van Kooten doet veel moeite om te laten zien hoezeer Palestina van het hellenisme doordrenkt was. Johannes begint met de logos die van boven komt in de kosmos, en maar aan die kosmos ook vreemd blijft. Anders dan in de Griekse cultuur daalt de logos, Christus, helemaal tot in de diepte af, tot aan de voetwassing toe. Daarna stijgt de logos op, hemelwaarts, en dat is een stijgen tot op het kruis: God in het eerloze lijden, daarmee overtroeft Christus en Johannes eveneens de Griekse cultuur die beschouwelijk wil blijven en naar boven kijkt.
Over Mattheus en Lucas kunnen we kort zijn, Van Kooten is dat ook. Mattheus moet na 70 geschreven zijn in de tijd dat het vredesakkoord met de Parthen nog geldig was. Mattheus heeft Marcus aangevuld met veel woorden van Jezus die hij nog kende en Van Kooten neemt aan dat hij dat gedaan heeft in Syrië, waarschijnlijk in Antiochië, de grootste stad aldaar, de stad van waaruit Paulus eerder zijn zendingsreizen had ondernomen. Daar is een grote Joodse gemeenschap geweest en Mattheus heeft vele joodse trekken behouden. Lucas heeft daar in een latere periode mee moeten breken. Het zou rond 90 of nog later geschreven zijn, weliswaar door Lucas zelf, op zijn oude dag. Lucas heeft de meeste aanpassingen aan de eisen van het Romeinse Rijk. Hij maakte van het evangelie een weg, de Kerk zelf vervolgt haar weg van Jeruzalem naar Rome en verder. Dat vraagt om steeds nieuwe vertalingen en daarom ook steeds nieuwe concessies.
De vrucht der lippen
Ook Rosenstock-Huessy ziet de evangeliën als antwoord op de omringende cultuur en wel op de doodlopende wegen van die cultuur. Rosenstock-Huessy is gepokt en gemazeld in de historische kritiek in het Duitsland van zijn studietijd, maar neemt daar radicaal afstand van. De evangelisten hebben elkaar gekend, reageren op elkaar, vertalen elkaar naar nieuwe uitdagingen. Daarbij brengt Rosenstock-Huessy de vier cultuurstromen in het geding die hij in zijn hoofdwerk “Soziologie” beschreven heeft.
Mattheus, de tollenaar, weet wat het is om verworpen en geminacht te worden. De verstarde en geritualiseerde synagoge heeft de Messias, de Zoon van David verworpen en gekruisigd. Mattheus protesteert, en ziet in de nieuw ontstane gemeente die uit Jeruzalem heeft moeten vluchten (na Stefanus!) het zuivere Israël dat de wet vervult zoals Christus dat deed, “volmaakt” zijn door hongerigen te voeden, gevangenen op te zoeken, armen te kleden. Daarmee opponeert Mattheus tegen het wij-gevoel dat in Israël heerst, het stamachtige in Israël zelf.
Marcus, de secretaris van Petrus, schrijft op wat Petrus in Rome geleerd heeft. De Zoon van God is verschenen en hij heerst niet vanuit de hoogte maar vanuit het dieptepunt van het kruis. Dat in tegenstelling tot de Romeinse godenzoon, de keizer. De discipelen, ook Petrus, zijn gebrekkige volgelingen maar ook de gemeente heeft zulke gebreken en moet nu toch, blootgesteld aan vervolgingen in Rome, standhouden. Zo zijn ze toch tot voorbeeld. Marcus opponeert tegen de hiërarchische autocratische rijkscultuur.
Lucas, de volgeling van Paulus, is de grote vertaler. Hij haalt de Geest van Israël weg uit de steriel geworden tempeldienst (Zacharias!) en in het voetspoor van Paulus helpt hij Grieks-Romeinse volgelingen schreden voorwaarts te zetten op de Messiaanse weg zoals Jezus en zoals Paulus die gegaan zijn. Hij staat voor de Geest van Israël en wil die overdragen naar een nieuw tijdperk.
Johannes wordt wel het meest theologische evangelie genoemd maar hij heeft ook de meeste historische details. Net als Van Kooten is hij voor Rosenstock-Huessy degene die houvast verleent aan de relativistische en constructivistische Griekse cultuur. Johannes’ evangelie is weliswaar een gedicht maar geen “verdichting”. De logos is gecentreerd op het kruis en wat bij Marcus nog het diepste punt was wordt een Johannes het hoogste punt, van waaruit de Zoon alles naar zich toe trekt (Johannes 12: 32).
Cultuurstrijd
Het is een groot woord om voor de inspanningen zowel van Van Kooten als Rosenstock-Huessy het woord cultuurstrijd te gebruiken. Want het is niet in de eerste plaats strijd. Er is wel sprake van oppositie, voor Rosenstock-Huessy oppositie tegen vastgelopen culturele vormen. Dat vastlopen komt tot uiting in verharding en exclusivisme. De val van Jeruzalem is er het symbool van.
Ook Van Kooten ziet de evangeliën in dialoog met de omringende cultuur. Dat is verfrissend. Het is mijns inziens niet toevallig dat Van Kooten met zijn interpretatie van de evangeliën komt in een tijd waarin de kerk in een minderheidspositie verkeert. Zij kan haar bestaan alleen maar volhouden of opnieuw bevechten door volop met de cultuur in dialoog te zijn. Van Kooten doet dat wel het meest intensief en creatief in zijn interpretatie van het Johannesevangelie. Hij brengt de omringende literatuur en filosofie van Griekenland in het veld om te laten zien dat Christus die taal overtroeft.
Het minst overtuigend is voor mij daarentegen de interpretatie van Marcus. Volgens Van Kooten levert Marcus vooral een strategische verdediging van een nieuw geloof. Liever lokaliseer ik Marcus in Rome om in de vervolgingen na de moord op Petrus en Paulus de volgelingen moed in te spreken en bij de les te houden. Dat heeft niet alleen (volgens mij) exegetisch betere papieren, maar – als dat argument ook mag gelden – het spreekt mij meer aan in een wereld vol autocratische regimes. Dat de Zoon van God niet boven ons maar beneden ons te vinden is, is een normatieve omkering die onze tijd hard nodig heeft.
-
Geurt Henk van Kooten, 2026, De echo’s van het goede nieuws, Kok Boekencentrum. ↩
-
Eugen Rosenstock-Huessy, De Vrucht der Lippen, 1978, ↩