Logo Vereniging Respondeo Respondeo etsi mutabor – Ik antwoord, ook al word ik daardoor veranderd Menu

Otto Kroesen: Aantekeningen en commentaar bij Sloterdijk: Het continent zonder eigenschappen

Voor de bijeenkomst van 8 november 2025 van Respondeo

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft een aantal lezingen gegeven over Europa en de rol van Europa in de wereld, ook vanuit historisch perspectief. In september 2025 is dat boek in het Nederlands verschenen, vertaald door Mark Wildschut, die ook aanwezig was bij de bespreking van Respondeo. Otto Kroesen

De Nederlandse titel is “Het continent zonder eigenschappen”, ondertitel: “Bladwijzers in het boek Europa.” Het is verschenen bij Boom, Meppel.

Het boek van Sloterdijk valt op vanwege de grote plaats die het werk van Rosenstock-Huessy daarin inneemt. Nu heeft Peter Sloterdijk zich wel vaker met Rosenstock-Huessy beziggehouden. Hij ontleent veel aan hem, vindt hem een van de grootste filosofen/denkers van de 20e eeuw, en tegelijkertijd heeft hij ook veel kritiek en brengt hij vooral veel relativering aan.

De voorbereiding van de studiedag van 8 november 2025 omvat twee stukken: een aantal gesprekspunten is uit de Nederlandse vertaling in wat langere citaten naar voren gebracht en telkens van commentaar voorzien. Het resultaat daarvan treft u hieronder aan. Dat is wat wij op 8 november in de ochtend besproken hebben.

In de middag hebben wij stilgestaan bij de interpretatie door Sloterdijk en Rosenstock-Huessy van de Russische revolutie. Daartoe diende met een aantal citaten van Rosenstock-Huessy over de rol van de Russische revolutie gedurende verschillende perioden van zijn werkzame leven. Volgens Sloterdijk heeft Rosenstock-Huessy een te lichtvaardige opvatting van het gewelddadige karakter van de Russische revolutie. Dat is de achterliggende reden om te onderzoeken hoe Rosenstock-Huessy de Russische revolutie dan eigenlijk wel gezien heeft en gewaardeerd of gekritiseerd.

Hieronder treft men een aantal gespreksitems aan die parallel lopen met een aantal hoofdstukken en gedachten uit het boek van Sloterdijk. Daarin is vooral aandacht besteed aan Rosenstock-Huessy en aan Spengler die Sloterdijk als hoofd getuigen voor zijn onderneming opvoert.

1. Vluchten, necrologie, naspel – eerste openingstoespraak

De korte samenvatting van dit eerste hoofdstuk is: Europa ontloopt zijn verantwoordelijkheid. Europa probeert “niemand” te zijn. Met lichte ironie beschrijft Sloterdijk het Europese gemiddelde zelfbewustzijn:

“De doorsnee Europeaan van tegenwoordig die met zijn niet altijd onterechte wrok tegen de vaak ondoorzichtige, bijkans buitenaardse procedures in Brussel en Straatsburg zijn leven leidt, zonder de premissen van zijn bestaan te overdenken, is de incarnatie van ondankbaarheid – voor zover dit betekent in de stroming van quasi post historische gemoedstoestanden te drijven en niet te weten, laat staan te willen weten, uit welke bronnen de huidige modus vivendi is voortgekomen. Maar al te vaak is de hedendaagse Europeaan de eindgebruiker van een comfort, van welks ontstaansvoorwaarden hij niet meer het minste besef heeft. In zijn door gaten in zijn geheugen geperforeerde bestaan is de uitspraak van Stephen Daedalus werkelijkheid geworden: “De geschiedenis is een nachtmerrie waaruit ik wil ontwaken.”” (p. 26)

2. Latijns-Europa – het continent, het imperium en zijn vertalingen – tweede openingstoespraak

In dit deel over Latijns Europa is Sloterdijk wel heel kort over de Middeleeuwen. Na een paar opmerkingen over de begintijd van de kerk (bijvoorbeeld Ambrosius die de keizer de toegang tot de eucharistie ontzegt) gaat hij over naar de translatio imperii in de 15e eeuw. Met die term is bedoeld dat Europa eigenlijk geprobeerd heeft het imperium van de Romeinen opnieuw te herstellen. Het moest natuurlijk niet zo heidens gewelddadig als de Romeinen deden, maar de eenheid van het Romeinse Rijk was verloren gegaan.

Eigenlijk laat Sloterdijk de Europese geschiedenis dus pas in de 15e eeuw beginnen! Dat is alleen in zoverre terecht dat vanaf de 15e eeuw het westen de antieke stadstaten naar de eigen werkelijkheid probeerde te vertalen. Dat wil zeggen: de antieke stadstaten functioneerden in de Europese geschiedenis als voorbeeld voor de nationale staten. Maar daaraan vooraf gaat de periode van de steden en de gilden: de middeleeuwen dus. Die hebben Europa van de stammen losgeweekt. De stichting van gilden en steden was een beweging van onderaf, met steun van de bedelorden die functioneerden als sociale en maatschappelijke werkers. Zij hebben gezorgd voor een civil society, dat wil zeggen voor de wederzijdse verantwoordelijkheid van vrije burgers onafhankelijk van stam of staat. Het is een beweging van burgers op het grondvlak van de samenleving die de voorwaarde is voor democratisch bestuur. Voor deze beweging heeft Sloterdijk nauwelijks aandacht. Toch is deze periode belangrijk omdat hier de samenwerking tussen burgers van onderaf gestalte krijgt, los van enerzijds stammenloyaliteiten, en tegelijkertijd los van staatscontrole. In allerlei volgende fasen van de Europese geschiedenis heeft dit sociale fenomeen telkens nieuwe vormen aangenomen, in parlementen, verenigingen, politieke partijen, vakbonden, vrije pers, enzovoort enzovoort. Landen die niet deel gehad hebben aan dit aspect van de westerse geschiedenis hebben veelal nog steeds grote moeite om een civil society tot leven te brengen. Het gevolg daarvan is hetzij teveel staatscontrole, hetzij teveel patrimoniale en cliëntelistische relaties, kortom vriendjespolitiek.

“Als Karl Kraus het Oostenrijk van zijn tijd het “proefstation van de wereldondergang” kon noemen zou je heel Rusland in de periode van Peter de Grote tot Poetin kunnen aanmerken als een experiment om aan onregeerbaarheid te ontsnappen door te vluchten in de despotie.” (p. 49)

“En hoewel het in vroegere translaties van het Rijk nooit aan elementen van willekeurige toe-eigening had ontbroken, leverde pas het nationaalsocialisme, toen het eenmaal aan de macht was, het bewijs dat annexionisten die vastbesloten zijn tot het uiterste te gaan, in staat zijn een hele oudheid te verminken.” (p. 50)

Deze beide zinnen hadden Sloterdijk niet uit de pen kunnen komen, had hij het verschil gezien tussen oudheid en het moderne experiment van nationale staten. Want: waarom was onder Peter de Grote Rusland onregeerbaar? Dat is een vraag. De andere vraag: heeft het nationaalsocialisme de oudheid verminkt of juist goed begrepen! Het antwoord op beide vragen ligt precies in het gegeven van de civil society, van vrijwillige samenwerking en wederzijdse verantwoordelijkheid van vrije burgers die eraan ten grondslag ligt. Als mensen op het grondvlak geen verantwoordelijkheid voor elkaar dragen en niet in staat zijn tot samenwerking of daar het vertrouwen niet voor hebben, heeft de despotie geen tegenwicht (Rusland) of wordt het tegenwicht tegen de despotie uitgeschakeld (het nationaalsocialisme). De oudheid verminken? – Het Romeinse Rijk kende nooit een civil society, maar hetzij stammen en familiehoofden (de senaat), hetzij een keizer als zoon van de goden (het keizerrijk vanaf Octavianus). Vriendjespolitiek en patrimonialisme en cliëntelisme waren dan ook aan de orde van de dag in het Romeinse Rijk.

3. Lezing 1: Europa als leerverband

Leren is de eerste bladwijzer (p. 61) die Sloterdijk in het boek Europa legt. De wortels liggen in de renaissance: Petrarca werd beroemd in Europa als eerste literator van naam.

“Maar noch in China noch in India zijn organismen van een cultuur van het “kunnen” ontstaan die met de permanente revolutie van de kritische geest in Europa kunnen wedijveren.” (p. 65)

Sloterdijk legt hierbij de nadruk op de student – meer dan op de leraar: zolang er studenten waren kon er een cultuur van intellect en leren zijn. Dat is terecht, alleen al omdat in de eerste universiteit, die van Bologna, waarin vooral rechten gedoceerd werd, de studenten de docenten betaalden. De vraag is echter wel: wie waren die studenten? Die kwamen niet uit het niets tevoorschijn. Dat waren vooral de nieuwe vrije burgers die uit de gilden en de steden voortkwamen. Universitas betekent hetzelfde als corpus, lichaam. Het was een gilde van studenten dat de docenten betaalde. Opnieuw is het dus van belang heerde civil society van de middeleeuwen op de achtergrond te zien.

Een tweede impuls is uitgegaan van de Reformatie. Het was de Reformatie die de gewetens wilde vormen, niet alleen van een rijke bovenlaag, maar van hoog tot laag. Ook gewone mensen moesten de geloofsbelijdenis kunnen begrijpen en de Schrift lezen, die bijvoorbeeld nu pas in het Duits vertaald had. Daarvoor was scholing nodig.

Het is dus niet voldoende terug te vallen, zoals Sloterdijk doet, op het positieve feedback mechanisme alleen (p. 68). Het positieve feedbackmechanisme betekent dat het makkelijker is verder te gaan op een eenmaal ingeslagen weg. Dat is slechts een halve waarheid want elke stap verder op een eenmaal ingeslagen weg vergt opnieuw een enorme inspanning. De scholing die de Reformatieperiode tot stand bracht is verbonden met de Duitse (lutherse) en de Engels/Nederlandse (calvinistische) revolutionaire omwentelingen. Die zijn weliswaar ondenkbaar zonder het fenomeen van een civil society, maar zijn ook een aanzienlijke stap verder in de ontwikkeling daarvan. Niets gaat vanzelf.

4. Lezing 2: Out of Revolution

Dit boek (Out of Revolution 1938) geeft de biografie van de westerse mens. Volgens Rosenstock-Huessy zijn tenminste zes revolutionaire perioden in de westerse geschiedenis te onderscheiden van de pausrevolutie (paus tegen keizer in de investituurstrijd) tot aan de Russische Revolutie. Steeds hebben de westerse samenlevingen de verworvenheden van een vorige revolutie verder ontwikkeld door een volgende revolutie. Dat heeft niet alleen met de samenlevingsorde te maken maar ook met de rechtsorde, de taal en het menstype dat zo tot ontstaan kwam. Dat rechtvaardigt het woord biografie of beter “auto-biografie”, want het gaat hier om de wording van de westerse mens. Zes revoluties: de strijd tussen paus en keizer in de middeleeuwen, de Italiaanse stedenrevolutie die erop volgt, de Duitse reformatie, de Engelse parlementsrevolutie, de Franse revolutie, de Russische revolutie. Die revoluties lopen uit op de wereldoorlogen. Daarom stelt Rosenstock-Huessy ook de vraag: waardoor konden de wereldoorlogen gebeuren en hoe moet het leven daarna verder?

Revoluties zijn gewelddadige perioden. Verschillende groepen staan keihard tegenover elkaar, en telkens is dat het geval als een samenleving teveel op de bestaande koers blijft. Dan wordt het een keer buigen of barsten. Sloterdijk maakte vooral een punt van de Russische revolutie en het geweld, de miljoenen doden, dat daaraan inherent was. Naar zijn oordeel gaat Rosenstock-Huessy aan dat geweld voorbij en heeft hij ook buitendien veelal een verkeerd historisch oordeel. Zo schrijft Rosenstock-Huessy nog in 1938 aan Hitler eerlijke pacifistische oogmerken toe (p. 106). Dat laatste moet wel slaan op het oordeel van Rosenstock-Huessy uitspreekt over Hitler en de zijnen, dat ze indiaantje spelen en niet de moed zullen hebben om echt een wereldoorlog te ontketenen. Helemaal eerlijk is Sloterdijk dus niet in dit oordeel, omdat het niet gaat om “eerlijke” pacifistische oogmerken. Met een paar langere citaten geef ik graag aan wat de inhoudelijke beschrijving van Sloterdijk is met betrekking tot de Europese revoluties die Rosenstock-Huessy beschrijft.

“In zijn verkeerde oordelen treden de methodische zwakten van Rosenstock-Huessy rijkelijk aan het licht, maar de keerzijde daarvan vormt een overvloed aan glansrijke inzichten. De kwetsbaarheid van de auteur ligt op axiomatisch vlak: zijn overtuiging dat de menselijke geschiedenis in haar geheel en de Europese geschiedenis van de afgelopen 1000 jaar in het bijzonder alleen vanuit de beweging van de hartstochten, van de bekentenissen, van de inspiraties begrepen zou kunnen worden, brengt hem in de problemen, omdat hij tussen verschillende geestdriften moet onderscheiden, zonder daarvoor criteria te kunnen aangeven. Net als sommige hedendaagse revolutiehistorici en mediatheoretici slaagt Rosenstock-Huessy er niet in vormen van nobel enthousiasme en erupties van massahysterie uit elkaar te houden.

Rosenstock-Huessy besloot de geest van de revolutie niet pas daar te observeren waar hij – zoals bij zijn optredens na 1789 – door de handelende personen zelf al met de nodige theatraliteit was opgevoerd en erover was getheoretiseerd. De nauwelijks te verwachten grote coup van de auteur kwam tot uitdrukking in de these dat er vanaf de hoge middeleeuwen een wind van geestelijk-politieke omwentelingen door de toonaangevende naties waaide – om te beginnen in Italië via Duitsland naar Engeland en Frankrijk, om uiteindelijk ook in Rusland voor een radicale verandering van de maatschappelijke verhoudingen te zorgen. De keten van revoluties is voor hem een quasi sacramentele realiteit, ja een noodzakelijke sequentie van pogingen om door te stoten naar een gegeneraliseerde vrijheid bij de volkeren van de Oude Wereld. Alle Europeanen zijn hun erfgenamen al zijn ze het doorgaans eerder op passieve wijze; meestal leven ze zonder inzicht in de historische bronnen van actuele toestanden. Elk individu op deze lengte- en breedtegraad zou eigenlijk moeten begrijpen dat het, als het beweert vrij te zijn en onvervreemdbare rechten te bezitten, dit alleen kan doen omdat het, net als al zijn medeburgers, is gedoopt in de bron van de revolutie. Daarbij bestaat de overgrote meerderheid van de Europeanen uit louter doopceel-revolutionairen – dat geldt zowel voor 1938 als voor 2024. Zij bestaan zonder enig besef wat ze aan de strijd en het lijden van vroegere generaties te danken hebben.

Wij allen, stelt de auteur vast, bezitten als Europeanen dezelfde pedigree of revolutions, dezelfde “stamboom van revoluties” in onze mentale geboorteakten, we zijn als neven en nichten verwant aan de erfgenamen van de revoluties in andere landen. Weliswaar maakt elk volk slechts een revolutie en krijgt het door de uitkomsten daarvan een blijvend stempel opgedrukt, maar “Elke latere revolutie wordt aangestoken vanuit het land van de oude revolutie”. De latere revoluties werpen op hun beurt hun licht op vroegere omwentelingen.” (p. 106)

“In 1938, tijdens de herziening van zijn boek over de Europese revoluties, was Rosenstock-Huessy duidelijk al iets minder zeker van zijn geforceerde heilshistorische interpretatie van de Russische revolutie dan in het ontwerp van 1931. Niettemin kon hij zijn lezers nog steeds door ongewone stellingnamen verbazen. Hij stelde de diagnose dat de revolutionaire jonge Russen van de late 19e eeuw in feite “teleurgestelde Europeanen” waren geweest, die hadden ingezien dat het Westen hen altijd en in alles de baas zou zijn, behalve in één opzicht: in de bereidheid in hun onbaatzuchtige strijd tegen het bestaande tot het uiterste te gaan. Zij zouden de koppositie overnemen door een eigenschap waarvan westerse mensen tot dusver slechts de naam, niet de zaak zelf kenden: door een vorm van radicaliteit die tot onverbiddelijkheid kon uitgroeien. Ook in 1938 liet Rosenstock-Huessy zich niet afbrengen van zijn opvatting dat de jonge revolutionairen, die vanaf de late 19e eeuw de gebeurtenissen van 1917 voorbereidden zelf al belijdende nihilisten, authentieke martelaars waren geweest van een anoniem geloof, activisten van de zelfopoffering, waar zelfs jezuïeten en trappisten in hun beste tijden nauwelijks aan konden tippen. Het afzien van privé geluk vertaalde zich bij hen in een ongeëvenaard talent voor politieke wreedheid. Over lijken gaan groeide bij hen uit tot een spirituele discipline. Uit de biografie van Lenin rijst in de ogen van Rosenstock-Huessy als vanzelf het legendarische beeld op van een martelaar van de daad. Volgens zijn interpretatie voegde de geschiedenis van de Russische revolutie, van de fataal mislukte decabristenopstand van 1825 tot het jaar 1938, zich naadloos in het schema van een progressieve teleologie: via nederlagen naar de overwinning. Ten langen leste moesten toch ook de meest onvrije Europeanen de zegeningen van de West-Europese vrijheidgeschiedenis deelachtig worden – al was het tegen de prijs van een nog diepere slavernij, die men probeerde te rechtvaardigen door haar als tijdelijk te verklaren. Met twijfelachtige grootmoedigheid leefde de interpreet zich in Lenin’s kijk op de situatie in: wat was Rusland in 1917 anders dan een lijk dat geëlektrificeerd moest worden. Zodra de geest waait waar hij wil, is elk pseudoniem hem welkom, ook al heet het pjatitelkja, vijfjarenplan. Van de door Trotski na 1922 in het leven geroepen slavenkampen en na 1930 officieel gestichte Goelag had Rosenstock-Huessy niet gehoord of niet willen horen. En ofschoon hij niet een van de apologeten was die tot in de jaren 50 en 60 vastbesloten waren daarover te zwijgen of te liegen, kon en wilde hij de revolutie in Rusland voor zijn grote verhaal over de ontwikkelingsgang van de geest op het wereld historische toneel niet missen. (p. 111)

De vraag met betrekking tot bovenstaande: klopt die interpretatie? Een progressieve teleologie wordt Rosenstock-Huessy vaker verweten. Verweten! Alle revoluties hebben groot leed gebracht en vaak hun eigen kinderen opgegeten. Dat was niet alleen met de Russische revolutie het geval, maar hoeveel doden heeft de Franse revolutie niet gekost, en toch teert ons tijdperk nog steeds op de verworvenheden van de Franse revolutie. Ook in Rusland moest er wel iets gebeuren, gezien de vastgelopen verhoudingen van de Russische samenleving. Maar er zou niets gebeurd zijn, aldus Rosenstock-Huessy en hij niet alleen, als de arme boerenjongens niet ontworteld waren door de Eerste Wereldoorlog als soldaten aan het front. Hun onvrede kon gemobiliseerd worden door de bolsjewieken.

Ook gaat Sloterdijk voorbij aan datgene waar de Russische revolutie voor staat. Het wetenschappelijk socialisme, zoals dat toen heette, was eigenlijk niet anders dan een verre uitloper van de Franse revolutie die de wetenschap tot basis van het economische systeem en met name fabrieksmatige productie maakte. Het was de Franse revolutie en de daaraan voorafgaande verlichting-filosofie die een samenlevingsorde wilde instellen die louter rationeel, natuurlijk en wetenschappelijk was. Voor de Franse revolutie was de vooruitgang vooral afhankelijk van individueel initiatief van vermogende burgers. Dat leidde tot de onderlinge concurrentie van kapitaalkrachtige bedrijven, tot verspilling daarom van energie, en tot externalisering van negatieve effecten, afwenteling op de arbeidskrachten en op het milieu. Rusland werd tot wingewest gemaakt van de westerse industrie. De Russische intellectuelen hebben het westerse organisatorische vermogen willen inzetten voor een totaalplan waarin de behoeften van iedereen vervuld werden. Dat was het “wetenschappelijk” socialisme. Ik wil maar zeggen: het planningsinstrument in handen van de staat dat de Russische revolutie tot stand gebracht trekt de lijnen door die de verlichting en de Franse revolutie voor het eerst trok. Dat is niet een excuus maar wel een verklaring voor het nietsontziende geweld van de Russische revolutie. Dat hadden ze van de Franse revolutie afgekeken en ook hier trokken de revolutionairen de lijnen door.

Had dat allemaal niet op een vreedzame manier gekund? Ook in het westen gingen de socialistische golven hoog, maar hier kon het democratisch systeem de tegenstellingen opvangen en matigen. Maar ook het Westen is in reactie op Rusland veranderd. Door de staatsplanning van hogerhand was de Russische economie niet gevoelig voor de beurskrach van 1929. Dat maakte indruk op de rest van de wereld. Nu werd economische planning, en ingrijpen door de staat door alle landen gekopieerd. In Amerika leidde dat bijvoorbeeld tot de New Deal. De sociale omstandigheden van de arbeiders werden een zorg voor de staat. De tweede wereldoorlog heeft deze trend van staatsplanning van de economie nog eens versterkt en geleid tot de huidige verzorgingsstaat. Dat rechtvaardigt niet het geweld van de Russische revolutie, maar het ging wel ergens om. Het ging om meer dan en ook iets anders dan de grote ontwikkelingsgang van de geest, waar Rosenstock-Huessy de Russische filosofie voor nodig zou hebben.

De zin van de revoluties bij Rosenstock-Huessy, aldus Sloterdijk ligt overigens niet in verbeterde sociale prestaties, maar in algemene verheffing in de adelstand van de mens, beter gezegd, van de gewone mensen (p. 122).

“De revolutionaire promoties van de conditio humana, zoals de auteur ze samenvat, zijn tot op heden nauwelijks goed doordacht. Zij hieven alle soorten oude adel op, doordat ze de mens per se bepaalden als het wezen dat niet “niet van adel” kan zijn. Door de creatie van wat Rosenstock-Huessy laity sanctified, “heiliging van het lekendom” noemt, maakte de Reformatie van ieder mens een wezen met priesterlijke competentie – ieder individu staat voortaan, sinds het geloof niet meer onder een kerkdak kan worden gebannen, direct tegenover de oneindige. De Engelse revolutie maakte van elke gentlemen een pair van de koning, de Franse van elk mens die een beetje talent heeft en van goede wil is een lid van de nieuwe meritocratische adel, met trekken van adamitische populariteit. De veralgemeniserende aanspreekvormen “meneer”, sir, monsieur, madam, en madame moesten duidelijk maken dat de betekenis van revolutionaire bewegingen uiteindelijk niet bestaat in betere sociale diensten, maar in het verheffen van iedereen in de adelstand.

Afgezet tegen deze achtergrond volgen moderne massaculturen daarentegen bijna zonder uitzondering regressieve motieven, aangezien ze mensen in hun pre-reformatorische niet gerevolutioneerde alledaagsheid aanspreken; ze appeleren aan een erfelijke vulgariteit, die van een dienstplicht ten behoeve van het algemeen welzijn en van de cultuur-dragende zorg om de levenskansen van de kleinkinderen niets wil weten. Overal waar men autocratie-en, dictaturen en populistische stromingen aan het werk ziet, wordt aangenomen en bevestigd dat men op politiek terrein slechts kan rekenen op laag-bij-de-grondse emoties: angst, hebzucht en wraakzucht. Rusland heeft door zijn adhesiebetuigingen aan het laag-bij-de-grondse afstand gedaan van Europa, het is naar het stadium van de pre-reformatorische onderwerping teruggekeerd. De erfenis van de Russische revolutie voor de rest van de wereld bestaat in de demonstratie dat een politiek van halve waarheden, ook als die pravda heet, uitmondt in leugen, cynisme, staatsterreur, een massa-alcoholisme.” (p 122)

Dit zo te zeggen doet geen recht aan het conflict zoals dat tussen Oost en West, in Oekraïne wordt uitgevochten. Immers, Rusland “keert niet terug” naar pre-reformatorische onderwerping, maar is er nog nooit echt van losgekomen. Het regime van de tsaar was een regime van onderwerping, het regime van de Sovjet-Unie was dat eveneens. Een civil society heeft in Rusland nog onvoldoende kansen gehad. De mensen zijn het gewend dat de staat beslist en dat men zich heeft te schikken. Hooguit als het echt niet meer gaat komen de gevoelens van onvrede tot een uitbarsting die het begin is van een andere koers. In een eerdere bijdrage heb ik gewezen op de moeilijkheid voor Rusland om de westerse erfenis te beërven. Daarbij gaat het om instituties, maar evenzeer om het menstype dat in feite de dragende kracht van deze instituties vormt. Rechtsstaat en parlementarisme zijn kansloos als niet een ontwikkelde civil society de dragende kracht daarvan is. Als er niet genoeg vertrouwen is en niet genoeg betrouwbaarheid in de samenwerking tussen burgers op het grondvlak van de maatschappij, zijn er altijd mazen in de wet en omwegen waardoor men elkaar kan omkopen, afhankelijkheidsrelaties kweekt, de instituties uitholt. Dat proces eindigt altijd in een patrimonialistische en cliëntelistische staat. “Eindigt altijd in” is niet de goede uitdrukking. Want een patrimonialistische en cliëntelistische staat is in de wereldgeschiedenis de standaard situatie. Het is het Westen dat daarop historisch gesproken en in hoge mate ook nog in de actualiteit de grote uitzondering is. Echter, ook in het westen is het menstype waarop dit steunt aan slijtage onderhevig. Het is van groot belang de achtergrond te beseffen van het enorme verschil in historische “autobiografie” van het conflict in Oekraïne. Het is inderdaad een conflict tussen het oude Russische despotisme en de open samenleving van het Westen. Oekraïne ligt precies op de grens tussen beide levenswijzen. Het heeft een geschiedenis die en veel opzichten overeenkomt met Polen, een geschiedenis van weliswaar moeizame vorming van een civil society en bijbehorende rechtsstaat, maar toch ook anders dan Rusland. De menselijke verworvenheden en eigenschappen die horen bij en dergelijke civil society en wij rechtsstatelijkheid liggen aan de basis van het verzet van de Oekraïners tegen de rigide en non-functionele “knoet” van het centralistische regime van Rusland. (Zie ook op deze website over de uiteenlopende ontwikkeling van het Westen en van Rusland: Intellectuele constructie en levende ervaring, en over Oekraïne en haar geschiedenis tussen Rusland en West-Europa: Wat beweegt de Oekraïners?.

5. Lezing 3 De profetie van Spengler

Naast Rosenstock-Huessy wijdt Sloterdijk veel aandacht aan Spengler. Soms heeft hij meer waardering voor de pessimistische boodschap en het melancholieke levensgevoel dat uit het boek “Untergang des Abendlandes” van Spengler uit 1918 naar voren komt. Ook in dit hoofdstuk speelt Rosenstock-Huessy een grote rol.

“Als de Eerste Wereldoorlog een sleutelrol heeft gespeeld voor het opkomen van vragen naar de essentie, de toekomst en het lot van Europa, dan vooral omdat zich al snel na het einde van die oorlog in november 1918 op het hele continent het gevoel verspreidde dat er uiteindelijk alleen maar verliezers waren – ondanks de vredesverdragen van Versailles en Sint-Germaine die in juni en september 1919 werden getekend. De tekst van die verdragen kwam neer op een dictaat van de zegevierende mogendheden en de gevolgen daarvan droegen het nodige bij aan de algemene neerslachtigheid.” (p. 125)

Voor een deel is dat wel waar: er waren eigenlijk alleen maar verliezers. Maar het bovenstaande citaat zelf geeft reeds aan dat ook in deze tijd het nationalisme nog overheerst. De wereld werd opgedeeld in winnaars en verliezers. Toen Duitsland zijn herstelbetalingen niet kon voldoen heeft Frankrijk nog een invasie gepleegd op het Ruhrgebied om betalingen af te dwingen, en dat voor een economie die op zijn gat lag. Spengler gaf aan de Duitse nationalisten overigens een excuus voor hun verlies en een rechtvaardiging van hun onvrede. De ondergang van het avondland was een onvermijdelijk proces in het opgaan, blinken en verzinken van de naties. En de Duitsers, zo ook Spengler, stonden nog voor hun “Kultur”, terwijl Fransen en Engelsen in een stadium van verval waren, aangeduid met het woord “Zivilisation”. Dit soort opvattingen viel goed bij de omhoog strevende nazi’s.

“De geschriften van Rosenstock-Huessy van 1931 en 1938 zijn alleen te begrijpen als antwoorden op het gebod de eigen “tijd in gedachten te vatten” – ongetwijfeld niet in hegeliaanse zin, maar eerder zo dat de diagnose van de stand der dingen als praktische kennis ter inspiratie en oriëntatie in verwarrende situaties werkzaam moest worden.” (p. 128)

Dit is een goed getroffen citaat! Wat is het verschil tussen Rosenstock-Huessy en Hegel? Hegel onderwerpt de geschiedenis aan de logica, de zelf-ontvouwing van het begrip. Bij Rosenstock-Huessy leidt de spanning tussen imperatief (toekomst) en narratief (onze vorming door het verleden) tot het werkelijke begrip van wat er aan de hand is. Want als we weten waar we vandaan komen en een besef hebben van waar het naartoe moet, dan beginnen we te begrijpen waar we staan en die overgang. Rosenstock-Huessy leidt dus niet de logica tot het juiste begrip van de zaak, maar deze existentiële spanning tussen afkomst en toekomst. Van die spanning kunnen mensen ook een verschillende waarneming hebben en dus ook een verschillende waarneming van datgene wat nu echt speelt en op het spel staat. Het is zaak in een wederzijdse dialoog elkaar te corrigeren en aan te vullen. Dat is de “methode” van de Rosenstock-Huessy.

“De ambitie van de Rosenstock-Huessy om Europa voor de Europeanen opnieuw te verklaren, en zijn procedure om daarvoor terug te grijpen op de serie revoluties die “ons” hebben gevormd tot wat we kunnen en moeten zijn, hadden niet hun bestaande gedaante aangenomen als er niet een boek aan vooraf was gegaan dat vanaf het eerste moment van verschijnen in de vroege herfst van 1918 (bij de gerenommeerde Weense wetenschappelijke uitgeverij Brown Müller) in het hele Duitse taalgebied furore had gemaakt: Die Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler.” (p. 129)

De visie van het boek over Europa werd volgens Rosenstock-Huessy zelf geboren in de loopgraven van Verdun, waar hij als officier in het leger gediend had. Het zou voor hem aantrekkelijk en ook mogelijk geweest zijn visie in een even dik boek neer te leggen als dat van Spengler. Naar eigen zeggen heeft hij dit echter uitgesteld, omdat de primaire noodzaak die hij zag bestond in het vinden van een nieuwe bezieling voor de natie, nu de duizendjarige missie van het Duitse Rijk om een paraplu te zijn waaronder de vele volken van Europa zouden kunnen samenleven, voorbij was. Zo werd hij uitgever van de eerste bedrijfskrant, bij Daimler Benz om eraan te werken dat arbeiders en managers/directie hun tegenstellingen zouden overwinnen in een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de toekomst.

“Wie er ruim 10 jaar na Spengler aanspraak op maakte de Europeanen van die tijd in termen van een algemene revolutietheorie een nieuwe verklaring te bieden voor zowel het historische als het actuele Europa, wilde begrijpelijkerwijs niet over ouderdom, verstarring, verstening, vervlakking en massificatie praten. De ware en echte geschiedenis van onze wereld zou de geschiedenis zijn van het enthousiasme van mensen voor de evangelische boodschap; dit impliceerde onvermijdelijk de vertaling van die boodschap in het incognito van het seculiere humanisme en daarmee en een groot aantal politieke, morele, therapeutische en esthetische idiomen.” (p. 133)

Kan men dat zo stellen? Het zijn dit soort zinnen van Sloterdijk die mij doen denken aan een violist die steeds er net naast speelt. Men herkent de melodie, dus er zit iets in. Maar steeds is het geen zuivere toon, want het geluid komt vervormd over. Ouderdom, verstarring, verstening, vervlakking en massificatie – dat waren Spengler zijn termen. Stelt Rosenstock-Huessy daar enthousiasme voor de evangelische boodschap tegenover? De geschiedenis van het evangelie, kruis en opstanding van Christus, vertaalt Rosenstock-Huessy in het spanningsveld van een vastgelopen beweging en een nieuwe imperatief. Hij bekritiseert de optimisten van na de Eerste Wereldoorlog juist dat ze niet zien en niet willen zien dat de bestaansreden van de nationale identiteit van Duitsland voorbij is. Het antwoord op een nieuwe imperatief van overstijgen van nationale belangen en maatschappelijke tegenstellingen is een existentiële situatie: ieder mens voelt in hart en ziel de pijn van de nederlaag en het eerverlies. Alleen met erkenning van de crisis is van de brokstukken een nieuw begin te maken. Daarom werkt hij aan wederzijds verstaan in de bedrijfssituatie.

“Die impuls wordt overgebracht op het moment waarop de lezer begrijpt dat de hier aangeduide cultuur, die later wordt becommentarieerd als de “faustische” respectievelijk als die van het gotische katholicisme met zijn dwangmatig drijvende motief van het blootgesteld-zijn aan de grenzeloze ruimte waarin alle mogelijke krachten pulseren, geen andere is dan die waartoe hij nolens volens ook zichzelf moet rekenen – niet alleen als waarnemer en getuige aan de rand, maar als geestverwant en lotgenoot.” (p. 136)

Net als Rosenstock-Huessy gaat het ook Spengler om onze eigen geschiedenis. Die geschiedenis heeft ons gevormd. Allemaal hebben we deel aan het faustisch karakter van onze cultuur. Met faustisch is bij Goethe en in navolging van hem bij Spengler bedoeld: je ziet de dingen in perspectief en kijkt niet alleen naar wat voor ogen is maar ook er aan voorbij. Je bent ontevreden met wat is en altijd in beweging. Maar Spengler volgt een biologische morfologie van de cultuur. Dat wil zeggen: elke levenshouding komt tot aanzijn, tot bloei en sterft ook weer af. Dan komt er een andere cultuur op. Er is geen verbinding tussen die culturen. Echter, wat Spengler ziet als faustisch, ziet Rosenstock-Huessy als christelijke levenshouding, als bezieling achter het Europa vanaf de pausrevolutie. Eigenlijk is die houding er al eerder, maar nu krijgt die ook politiek betekenis, voor de rechtsorde. Deze perspectivische blik is gevolg van de christelijke cultuur. Rosenstock-Huessy deelt wel het biologische verstaan van de cultuur, van eerste vonk tot groei, tot bloei, en verval en verstarring. Een nieuwe cultuur echter ontstaat ook niet uit het niets, maar wordt geboren binnen de oude en gaat ook opnieuw de verbinding daarmee aan. Een nieuwe cultuur beërft de voorgaande, en brengt ook de voorgaande cultuur tot nieuw leven. Dat maakt de crises niet minder ingrijpend, maar er gaat wel een belofte in schuil van iets nieuws. Dat is geen “evangelisch enthousiasme”, want dat zou te oppervlakkig zijn. Tijdperken volgen elkaar op door crises heen, maar ze beërven elkaar ook en zo is er groei, groei van de mens tot Mens. Het is deze christelijke, perspectivische kijk op de geschiedenis die Spengler afwijst. Hij heeft zijn boek zo geschreven dat het christendom er niet in voorkomt. De periode na Christus tot Karel de Grote omschrijft hij als de “Arabische cultuur”. Hij ziet met andere woorden wel dat het om de eenheid van God gaat in deze periode, maar dat heeft niets met het christendom te maken. Elke cultuur staat op zich zonder verbinding met de voorgaande en de volgende.

“Natuurlijk kleefde ook Spengler’s geschrift een sterk de te fabula narratur aan – dat miskende Rosenstock Huessy, toen hij de auteur later verweet dat zijn soort geschiedschrijving geen betrekking had op het levende geheugen van mensen, ja dat hij alleen zou schrijven voor mensen die hun herinneringen moe waren.” (p. 133)

Sloterdijk verwijst hier naar Out of Revolution p. 698, Nederlandse vertaling p. 659. Het is leerrijk de tekst van deze alinea ernaast te zetten: “Oswald Spengler is het duidelijkste voorbeeld van een schrijver van “geschiedenis zonder geheugen”. In zijn Der Untergang des Abendlandes brengt hij een wereldgeschiedenis zonder ook maar een woord of uitdrukking te noemen die gebruikt werden door de mensen die leefden ten tijde van die gebeurtenissen. Geen “Dieu le veult”, geen “Rights of Man”, geen “To thy Tents, Israël” geen “These are the times to try men’s souls”. Hij kijkt naar de mensenwereld alsof die mensen geen geheugen zouden hebben. Hij schrijft voor degenen die wanhopen of ze ooit een geheugen en een traditie zullen krijgen, voor de kinderen die nooit volwassen willen worden. – Waarom is hij dan zo populair geworden? Zijn lezers zijn hun eigen herinneringen zat, het zijn mensen die geschokt zijn door de Wereldoorlog en maar al te bereid afstand te doen van hun eigen overlevering en herinneringen!”

Begrijpt Sloterdijk hier wel Rosenstock-Huessy goed? Het punt dat Rosenstock-Huessy maakt is dat de mensen die in een bepaalde tijd leven op een bepaald moment ook zelf uitspreken wat hen bezielt. Dat geldt niet voor al hun uitspraken. Maar wel voor een aantal kernachtige uitspraken die recht uit het hart komen. In zijn eigen werk schenkt hij juist aandacht aan dit soort uitingen. Want hier verraadt de taal een andere zienswijze en een andere ervaring van de gebeurtenissen dan voorheen. Zulke ervaringen en zienswijzen maken epoche, ze leiden een nieuw tijdperk in.

“Het oordeel dat Theodore Adorno in 1949 velt dat de auteur van de Ondergang in zijn tijd “nauwelijks een tegenstander heeft gevonden die tegen hem bleek opgewassen”, is gebaseerd op de vaak indrukwekkende empirische plausibiliteit en op de elitaire scherpte van Spengler’s waarnemingen.” (p. 143)

In een verzameling boekbesprekingen, naar ik meen 1935, over het boek van Spengler, werd de bespreking door Rosenstock-Huessy niet opgenomen. Die was te kritisch. Rosenstock-Huessy heeft gesteld dat het boek van Spengler “De Ondergang van het Avondland” eigenlijk als titel zou moeten hebben “De Zelfmoord van Europa” (dat is ook de titel van het opstel van Rosenstock-Huessy over Spengler, afgedrukt in “Die Sprache des Menschengeschlechts”). Dat is wat er gebeurd is. De Eerste Wereldoorlog is niet een noodlot geweest dat onafwendbaar op ons toekwam omdat een cultuur aan zijn eind kwam. De Europese machten hebben zelf deze ondergang ontketend, gewillig en graag. Het boek van Spengler geeft hen te veel een goed bewustzijn: we konden er niks aan doen – dat kunnen ze nu zeggen.

“Je kunt van Spengler alleen nog iets opsteken als je over de risico’s van het declinisme geïnformeerd wilt worden, of dit nu op een heroïsche dan wel defaitistische toon tot uiting komt. Als politiek adviseur behoorde Spengler in zijn tijd tot het kamp van de nationaal-conservatieve haviken; met een construct als de Europese Unie zou hij geen raad hebben geweten omdat dit zich volledig buiten zijn begripwereld, buiten zijn dromen en interesses bevindt.” (p. 150)

De nationaalsocialisten in Duitsland zijn met het werk van Spengler aan de haal gegaan. Hij leverde hun de ideologie die ze nodig hadden. Hij leverde de zelfrechtvaardiging en het donkere perspectief en het Nibelungen gevoel, dat in de strijd van allen tegen allen ook wij meestrijden ondanks het feit dat alles richting ondergang gaat. Je kunt je afvragen waarom dan toch deze Spengler ook nog bij Sloterdijk zoveel onverdiende aandacht krijgt? Rosenstock-Huessy wordt gezien als een te enthousiaste geestdrijver, Spengler als een koel analyticus, die de te snelle oordelen van Rosenstock-Huessy moet rechtzetten. Dat is toch merkwaardig!

6. Lezing 4: eerlijk zijn over jezelf

Zelfbekentenissen zijn voortgekomen uit de biechtpraktijken, en hebben zich daarvan losgemaakt en blijvend vormt het de bezinning of het geweten. Europa kan eerlijk zijn over zichzelf en dat is haar kracht. Sloterdijk wijst op Augustinus met wie dit begonnen is. Over Augustinus schrijft Spengler de mooie zin “Augustinus drukte zijn stempel op de geste van de bekentenis, waardoor deze een nieuwe betekenis kreeg, die boven de vroegchristelijke oefeningen van de biecht en de boetedoening uitreikte doordat hij de zoektocht van zijn leven in zijn geheel onder het teken plaatsten van de dwaling (p. 163).”

In de latere hoofdstukken gaat Sloterdijk in op de verovering van de wereld door het Westen, het kolonialisme, de kritiek daarop en toch ook op de een of andere manier de beërving van dit Europa, ook door de andere volken. Hier laat ik dat buiten beschouwing. Rosenstock-Huessy speelt hier alleen indirect een rol in.

In het middagprogramma van 8 november heeft de visie van Rosenstock-Huessy op de Russische revolutie centraal gestaan en als tweede belangrijke onderwerp de vraag wat van Europa belangrijk is ook voor de rest van de wereld. Het antwoord van Rosenstock-Huessy op die vraag is: het menstype, de menselijke eigenschappen waar Europa voor staat en die in de Europese geschiedenis als een soort bijproduct verworven zijn. Dus, niet de techniek in de eerste plaats, niet in de instituties, maar de bekleding van de mens, de eigenschappen die deze mens draagt. Dat staat dus geheel in tegenstelling met de titel van het boek van Sloterdijk.